Woensdag 10 augustus
Vandaag hebben we de langste etappe van onze tocht, een kleine 30 kilometer. Dat betekent vroeg uit de veren, willen we enigszins bijtijds aankomen op onze plek van vanavond. De oude houten boerderij uit 1883 kraakt in al haar voegen, dus geruisloos opstaan is er niet bij.
Iets na achten staan we buiten, dit keer weer met onze Duitse pelgrimsvriend Til, met wie we sinds gisteravond weer herenigd zijn.
Ik zie blauwe plekken in de lucht, dus dat is een goede start. Het pad slingert door het bos, maar komt ook weer regelmatig op de doorgaande weg uit. Dat is minder fijn, want dat betekent als eenden aan de linkerkant van de weg achter elkaar aan én op asfalt lopen. Daar zijn onze bergschoenen minder geschikt voor en is daardoor veel vermoeiender voor je voeten.
Vooral als we bovenlangs over de flanken van de bergen lopen genieten we van het prachtige dal onder ons ligt. Het is zo mooi groen en oogt zo vredig. In de verte zien we nog steeds sneeuwvlaktes. Op een zeker moment lopen we langs een grote groene wei waar wel honderden kraanvogels aan het uitrusten zijn. Wat een indrukwekkende grote vogels zijn dat!
In Meldal passeren we de kerk. Uiteraard moeten we daar even een kijkje nemen. Gelukkig blijkt de deur open. Het ziet er haast “onnatuurlijk” mooi uit. De kleuren van het interieur zijn zo fris! Blijkt de oorspronkelijke kerk in 1981 afgebrand te zijn en in 1988 weer opnieuw gebouwd als een replica van het origineel. Naar we begrijpen heeft dat tot nogal wat commotie geleid in de gemeenschap van Meldal: bouwen we een moderne kerk of willen we de “oude” terug?
We komen door het plaatsje met de grappige naam Løkken Verk, een gemeente met een groot mijnverleden (erts, koper, zwavel, zink en zilver). De mijnen sloten in 1987, maar de infrastructuur is er nog steeds, zoals een behoorlijk groot treinstation. Voor ons oogt het plaatsje somber en als veel vergane glorie.
Het is dan nog 9 km naar boerderij Gumdal, waarvan de laatste 4 km weer flink bergop.
Op de (kleinschalige) boerderij is het paradijslijk. We zitten in een voormalige schuur, dat door de boer omgebouwd is tot een heel comfortabel minihuisje. Werkelijk van alle gemakken voorzien, zoals een eigen badkamer, een compleet uitgeruste keuken en een schoenendroger. We delen dit huisje met Til en hebben het zeer “gemütlich” met elkaar. De boer komt ’s avonds bij ons langs en komt op z’n gemakje bij ons buurten. Met z’n veestapel van 18 koeien is hij een heel tevreden man. Met wat extra inkomsten van de pelgrims in combinatie met zijn eenvoudige stijl van leven leeft hij hier met z’n gezin in zijn eigen paradijs!


Donderdag 11 augustus



We voelen de lange tocht van gisteren nog wel wat in ons lijf en zijn blij dat onze wandelgids aangeeft dat het vandaag maar 18 km zijn.
Tja, dan is het maar goed dat je vantevoren nog niet helemaal weet wat je te wachten staat… We doorkruisen vandaag namelijk het veenmoeras, oftewel een modderparcours. Het is ontegenzeggelijk een wonderschoon natuurgebied, waar we de ‘multe’, de bergbraam, her en der laag op de grond verspreid zien staan. In de nazomer trekken de Noren er massaal op uit om deze bramen te plukken en er multekrem (een desert) mee te maken. Wij proeven er uiteraard ook. Net als op de Dovrefjell zien we hier ook veenpluis, maar dat is nu vrij ver uitgebloeid.
In de modder zoeken we naar stenen en stukjes boomstam die ons wat houvast geven. Maar soms verdwijnen de gladde ronde boomstammetjes onverwacht in de moddersmurrie zodra je er je gewicht op zet. En met een zware rugzak heb je niet bepaald de gratie van een zwaan, dus een snelle terugtrekkende beweging maken zit er in zo’n situatie niet in. Ook het zachtogende roodkleurige mos is bedrieglijk, want eronder bevindt zich veel water en zak je er tot op je enkels doorheen. Gelukkig worden we ook af en toe verwend met loopplanken.
In de stukken bos voor en na het moeras zien we heel veel paddenstoelen. Een jong Noors koppel dat we passeren plukt cantharellen. De Noren leven veel meer met de natuur dan wij, Nederlanders. Vaak hebben ze een hut in het bos of in de bergen waar ze in het weekend en de vakanties naar toe gaan. Ook deze jonge Noren, Emil en Josefine, weten precies welke paddenstoel eetbaar is. Dat krijgen ze van jongsafaan mee in hun opvoeding.
In de namiddag treffen we hen bij de parochiezaal van Skaun waar we met in totaal 10 pelgrims overnachten. Met de cantharellen maakt Josefine een pastamaaltijd. We koken zelf ook, maar slaan hun aanbod om wat van die zalig geurende pasta als voorgerecht te krijgen niet af! Het smaakt heerlijk! Zeker na de uiteindelijke 21 kilometers die net zo zwaar aanvoelden als de kleine 30 van gisteren.
Durven ontvangen is ook weer één van die aspecten die we hebben geleerd tijdens het pelgrimeren. Niet vanuit bescheidenheid (?) ‘nee’ zeggen tegen een aanbod, maar in dankbaarheid aannemen. Ook vanuit de rol van gever bekruipt je dan zo’n fijn gevoel als je ziet hoe blij en dankbaar je anderen kunt maken en vaak op zo’n (voor jou) gemakkelijke manier. Het maakt het maken van verdergaand, dieper contact zoveel organischer. En vaak is er altijd wel iets waar je de ander weer blij mee kunt maken, zoals het geven van een theezakje of het doen van de afwas. Maar met name de oprechte interesse die er ontstaat en daarmee de positieve aandacht voor elkaar is misschien wel het grootste kado dat mensen elkaar kunnen geven…
Dankbaar voor:
de lekkere ligstoel bij boerderij Gumdal
dat de zon zich meer liet zien en voelen dan verwacht
het contact met de sympathieke Josefine en Emil

